|
Januari 2012, Immunosuppressieve geneesmiddelen die na orgaantransplantatie gebruikt moeten worden, zijn belangrijk om het orgaan te beschermen tegen afstoting.
Prof. dr. Teun van Gelder is internist-nefroloog, klinisch farmacoloog en tevens secretaris van de Nederlandse Transplantatie Vereniging NTV. Hij uit zijn zorgen over generieke substitutie van immunosuppressiva. Afstotingsreacties na een transplantatie van een orgaan, bijvoorbeeld een nier, hart, alvleesklier, lever of long, zijn een groot probleem. Daarom krijgen patiënten na een transplantatie geneesmiddelen die het immuunsysteem zodanig onderdrukken dat geen afstoting ontstaat.
“Die immunosuppressieve geneesmiddelen moeten nog jaren na de transplantatie worden gebruikt, ook als het getransplanteerde orgaan goed functioneert”, aldus professor Van Gelder. “Daarbij controleren we regelmatig de concentraties van deze geneesmiddelen in bloed of plasma om te zien of deze de juiste waarde hebben. Zo niet, dan wordt de dosering aangepast. We streven namelijk naar een zo laag mogelijke concentratie in het bloed, om het optreden van bijwerkingen te beperken, maar tegelijkertijd wel afstoting te voorkomen. Dat luistert erg nauw.”
Patent verlopen
De bekendste immunosuppressiva zijn ciclosporine, tacrolimus en mycofenolaatmofetil. Deze zijn al enige jaren op de markt en de patenten zijn inmiddels verlopen. Dat betekent dat er generieke versies op de markt komen. Je zou zeggen dat een generiek middel, met dezelfde stof in dezelfde hoeveelheid, exact hetzelfde moet werken als het originele geneesmiddel. Maar Van Gelder waarschuwt: “Die generieke geneesmiddelen zijn niet zonder meer uitwisselbaar met het spécialité. Daar vraag ik aandacht voor.”
Goede controle
Van Gelder vreest dat verzekeraars ook immunosuppressiva in het preferentiebeleid zullen opnemen. Dat vindt hij ongewenst: “Wij - de transplantatiespecialisten - vinden het belangrijk dat niet de apotheker substitueert, maar dat eventuele omzetting van een patiënt naar een generiek geneesmiddel uitsluitend plaatsvindt door de transplantatiespecialist. Als de arts zelf besluit om generieke substitutie uit te voeren, kan hij of zij direct met de patiënt een afspraak maken voor een nieuwe controle van de geneesmiddelconcentraties. Op basis daarvan kan de dosis dan zo nodig worden aangepast.”
Van Gelder voelt zich gesteund door het Wetenschappelijk Instituut Nederlandse Apothekers (Winap), dat vindt dat generieke substitutie moet worden heroverwogen voor geneesmiddelen met een smalle therapeutische breedte; dat wil zeggen daar waar de dosis zeer nauw komt.
Wisselende substituties
“Generieke immunosuppressieve geneesmiddelen zijn niet per definitie slecht of minder betrouwbaar”, benadrukt Van Gelder. “Als een spécialité naar generiek wordt overgezet op initiatief van de transplantatiearts en met goede controles, dan hoeft dat geen probleem te zijn. Maar na die substitutie zou die patiënt dan wel langdurig datzelfde generieke preparaat moeten blijven houden. In de huidige situatie is dat niet haalbaar. Zodra geswitcht is naar generiek, is het hek van de dam en worden patiënt en arts verrast door steeds weer een volgende substitutie, uitgevoerd door de apotheker, al dan niet onder druk van de verzekeraar. Echt: dat is ongewenst, omdat het voor de betreffende patiënt grote gevolgen kan hebben. In het ernstigste geval kan iemand daardoor zijn nieuwe orgaan verliezen.” (Bron : UA.nl)
|